Nog nasmeulend van een heerlijke zomervakantie in de Pyreneeën vind ik bij thuiskomst mijn tijdlijn vol pro- en anti-Sinterklaas berichten. Het is augustus 2015. De VN heeft Nederland op haar vingers getikt. Het land is te klein. Mijn vriendenkring splijt zich in twee kampen terwijl ondertussen de winkels zich geruisloos vullen met de eerste pepernoten. Buiten is het nog broeierig warm. De in nostalgie verhulde Spanjaard laat zich in opdracht van Unilever dit jaar vroeger zien dat ooit eerder. Sinterklaas hij komt er aan!

Het is 1968 wanneer ik als het enige gekleurd adoptiekind uit de wijde omtrek met een geassimileerd Oostenrijks knickerbockertje door de straten van mijn dorp wandel. Hoewel ik de vergelijking zelf nog niet gezien had zag mijn omgeving het wel; ‘kijk een échte Piet!’. Mijn nieuwe ooms, tantes, nichten, maar ook klasgenoten, de juffrouw en gewone voorbijgangers blijken allemaal even opmerkzaam en hetzelfde gevoel voor humor te delen. Met het schaamrood onder mijn pigment worstelde ik me vanaf dat moment door menig decembermaand heen. Meestal teruglachend om mijn geraaktheid te verbergen.

Rond mijn twaalfde gooide ik het tegen beter weten in hogerop en bood ik mezelf aan op school als Sinterklaas. Nadat iedereen was uitgelachen ontstond een heuse discussie. Het is dan 1974 om precies te zijn, wanneer voornamelijk grote mensen elkaar in de haren vliegen. Sommigen dreigden het feest te boycotten, anderen vonden het wel een grappig idee. Mijn ouders probeerde me van gedachte te laten veranderen. Hoe het precies is afgelopen weet ik niet meer, wel mocht ik ineens dé Sinterklaas worden op pakjesavond.

Zo kon het gebeuren dat ik op 3 december in een rode mantel werd gehesen. Trotsend als een pauw bekeek ik mezelf in de spiegel. Ik vond mijn mantel prachtig, mijn mijter waanzinnig en de baard enorm lijkend. Toen het eenmaal zo ver was en we de bomvolle aula betraden waar al onze ouders bijeengekomen waren begon de pianist driftig een Sinterklaas liedje te spelen. Sommige Pietjes waren het podium al opgesprongen om flink veel strooigoed naar de hoofden van onze ouders te gooien. Een paar Pietjes mikte tot ons aller vreugd gericht en redelijk doeltreffend. Kennelijk ging er ook een therapeutische werking vanuit.

En toen kwam ik.

Deels verblind door het licht en half struikelend over mijn mantel kwam ik het podium op. De ouders in de zaal brulde het uit van het lachen. De rot vader van Woutertje plaste bijna in zijn broek. Heel even dacht ik dat mijn mijter scheef zat of mijn baard was afgezakt. Terwijl de mensen naar adem hapten, fluisterde een klasgenootje troostend: “trek het je niet aan, ze hebben gewoon nog nooit een échte zwarte Klaas gezien”.

Ter hoogte van die opmerking is mijn aversie voor het Sinterklaasfeest dieper geworteld geraakt.

Op mijn dertiende verzon ik anti-Sinterklaas liedjes en toen ik eenmaal meerderjarig was nam het nog serieuzere vormen aan. Quincy Gario bestond toen nog niet, Mandela leefde nog en Gordon zat nog diep in de kast toen ik in een kraakpand voor het eerst iets over de slavernij hoorde. Ik leerde dat VOC schepen Afrikaanse landen afstroopten naar nieuwe grondstoffen en dat zwarte slaafjes, eigenlijk mijn voorouders zijn. De introductie van de zwarte Pieten bij het Sinterklaasfeest was ontstaan, zo vertelde men, in de periode dat de slavernij werd afgeschaft. Als herdenking, parodie of feestdag in een tijd dat velen nog moeite hadden met de verplichte afschaffing van de slavernij na zoveel welvarende eeuwen van voorspoed.

Ik was er stil van. Ik begreep nu ook waarom ik het altijd kwetsend had gevonden om uitgemaakt en uitgelachen te worden voor zwarte Piet. En ik begreep nu nog beter waarom de ouders op mijn school een zwarte Klaas belachelijk vonden.

Tot vandaag dus. Luidkeels hoor ik hoe mijn dochtertje te vroeg voor het jaar uit volle borst een Sinterklaasliedje zingt. Ik realiseer me dat nu het moment is aangebroken om zelf een staaltje kwalitatief hoogwaardig ouderschap te tonen. Zij hoefde dit allemaal niet mee te maken en zelf te ontdekken. Ik zou het haar kunnen vertellen, maar hoe? Hoe vertel je een diepgelovig kind dat Sinterklaas niet bestaat? En zou dat dan ook geen leugen zijn? Want hij bestaat wel! net als zwarte Piet! In ieder geval in haar fantasiewereld. Zoals Roodkapje ook bestaat en Dora! Terwijl mijn gedachten overuren maakten over de juiste pedagogische aanpak hoor ik haar op de achtergrond vrolijk: “zie ginds komt de stoomboot’ inzetten..

In gedachte zie ik haar –nadat ik haar heb vertelt dat Sinterklaas niet bestaat- op school met een teleurgesteld gezicht, andere kinderen teleurstellen. Ik zie hoe ze door haar stevig opgelegde gewetensontwikkeling geen pepernoot meer wil aanraken. Ik zie tot mijn afschuw hoe ze haar middelvinger op steekt tegen Sinterklaas en hoe ze hem publiekelijk probeert te ontmantelen door stevig aan zijn baard te trekken. Ik zie hoe ze de rest van haar klas aanzet om de pepernoten vooral terug te gooien.

Het is een naar gezicht.

Uiteindelijk besluit ik dat ik haar niet met mijn verhaal moet opzadelen. Ze heeft recht op haar eigen verhaal. Haar eigen herinneringen in een tijdsgeest die aan het veranderen is. Ditmaal met mensen die zich wel bewust zijn en op een school waar het feest voor ‘gekleurde’ kinderen toegankelijker zal worden gemaakt.
Vrolijk zingen we samen uit volle borst: ‘hij komt, hij komt, hij komt die goede Sint..!’ en vraag ik me -veel te vroeg voor het jaar- af hoe je ook al weer pepernoten moet bakken..

Advertenties