Achter in mijn uitpuilende voorraadkast staat een doos met kerstspullen. Ieder jaar weer is het een hele klus om de doos naar voren te halen. Ook dit jaar erger ik me suf aan de opeenhoping van goed bewaarde maar overbodige en fantasieloze ondingen. Kruiken, meer dan één! een waxinehouder, pantoffels nooit gedragen! en een Godsvermogen aan onsmakelijke maar eeuwig houdbare voedingsmiddelen. Ik besluit daarom om alvorens de kerstboom op te tuigen, de hele kast eerst leeg te trekken en de complete inhoud ervan weg te geven aan een groep uitgeprocedeerde van De Vluchtgarage. Zij schijnen wel wat nodig te hebben zag ik laatst op tv.

Nadat ik alles zorgvuldig heb gesorteerd en ingepakt en mijn vriend heb overgehaald om mee te gaan, vertrekken we in de vroege avondschemering. We hebben geen idee wat we zullen aantreffen, maar dat maakt niets uit, als ik maar van mijn spullen af ben. Bij aankomst is het al obscuur donker. De vluchtgarage ziet er precies zoals verwacht beklagenswaardig uit. Het merendeel van de ramen en deuren zijn dichtgetimmerd, de ruiten zijn kapot. Op de gevel staan leuzen. Een van de leuzen schreeuwt: “WIJ ZIJN HIER!” Een andere slogan gilt: “ILLEGALITEIT BESTAAT NIET!!”.  We worden er stemmig van. Bij iets wat op een voordeur lijkt staan een paar gedesillusioneerd rondkijkende Zuid- en Noord Afrikaanse mannen.

Terwijl ik onbevreesd één van de mannen aan spreek en uitleg wat we komen doen worden we door hem en zijn smoezelig uitziende lotgenoten welkom geheten. Behulpzaam helpen ze mee in het lossen van onze welvaartsoverschotten. In gebrekkig Nederlands vertellen ze blij te zijn met onze troep, al heeft nog niemand naar de inhoud ervan gekeken, misschien maar goed ook.

Omdat ik nieuwsgierig ben hoe Teevens afvoerputje er in het echt uit ziet loop ik onbescheiden mee naar binnen, op de voet gevolgd door mijn vriend. Eenmaal binnen gaat hun ellende mijn voorstellingsvermogen te boven. Het is erger dan erg! Binnen is het kouder dan buiten, een mengeling van vieze luchtjes vergruist de zoete lucht van mijn zorgvuldig opgespritste Clive Christian. In een moeilijk te onderscheiden hoek van de ontvangstruimte ligt een zwik met gedoneerde klamme kleding en pluizige dekens. Te midden staat een opengescheurde vuilniszak met oud en hard brood. In een split second denk ik naïef dat het voor de eendjes is totdat een flinterdunne Somalische man een stuk brood afbreekt en schuw weer in het krochten van de nacht verdwijnt. We zouden bang moeten zijn, zonder camera’s, geen beveiliging, toch voel ik geen angst maar een opdringerige opwinding.

Gastvrij laten de mannen ons de rest van het gebouw zien. We aarzelen maar volgen hen toch. Al snel lopen we ontzet door dubieuze en smoezelig geïmproviseerde gangetjes. Omdat onze ogen wennen aan de duisternis zien we ze nu overal. Mannen! Onder dekentjes, lakentjes en achter zeiltjes. De opvang lijkt op een dump voor afgedankte en tweedehands mannen. Mannen met een verkeerde huidskleur, een schroefje los, met gaten of trauma’s in hun achtergrond en allemaal verlangend naar dat ene document. Links en rechts hangen groezelige handdoeken, plakkerige lakens en verscheurde bouwzeilen. Ze dienen als muren en schermen slaapplaatsen af. In een geïmproviseerde keuken staat een Nigeriaanse jongen iets van eten klaar te maken voor zichzelf, het ruikt lekker.  Het valt me op dat de lucht van zijn eten het eerste teken van beschaving is sinds onze komst. Zijn gasstelletje wordt laf verlicht middels een zwak nood aggregaat. Achter één van de lakens verschijnt een nieuwsgierige negenentwintig jarige jongen. Mohammed heet hij, al weet ik het niet meer zeker. Mijn vriend en ik dragen ongemakkelijk onze afschuw uit en liegen dat we onze regering sterk veroordelen.  Mohammed lijkt zich gesteund te voelen door onze woorden en vertelt ongevraagd zijn verhaal. Hij diende als 17jarige in het verkeerde leger en is nu volgens de Nederlandse regering een oorlogsmisdadiger. Nog steeds ben ik niet bang, hij ziet er veel te lief uit voor een oorlogsmisdadiger al vraag ik me wel af hoeveel mensen hij heeft vermoord en of ik de weg nog terug zou kunnen vinden in dit doolhof. Steeds meer mannen verzamelen zich nieuwsgierig om ons heen. Om de beurt vertellen ze over onderlinge spanningen, ruzies, gevechten en over dwalende psychiatrische Nederlandse patiënten die zich onder hen mengen.  Ik ben nog steeds niet bang. Ze vertellen over zwervers en over politie-invallen en terwijl wij ademloos luisteren realiseer ik me wel dat we kansloos zijn. Maar één iemand hoeft nu zijn PTSS los te laten en ik kom vanavond gekneusd en zwanger thuis.

Dan ineens -als in een slecht aflopend B-filmpje- valt de aggregaat uit. Het is pikdonker. Binnen mum van tijd is het euvel verholpen al ben ik nu wel geïntimideerd. We zijn te diep in het gebouw, ik weet de weg niet terug.  We zijn onbeschermd, we hebben geld, passen en mobiele telefoons bij ons te midden van een grote groep mannen die niets meer te verliezen heeft. Snel biedt ik iedereen een sigaret aan. De mannen gaan gretig op mijn aanbod in tot mijn pakje leeg is. Alsof de duivel ermee speelt hoor ik elders in het gebouw een luidde mannenstem psychedelisch ‘Allah Hakbar!’ schreeuwen. Dit is de limit, ik wil naar huis.

Pas als we na een uur weer buiten staan, vriendelijk worden uitgezwaaid door de oorlogsmisdadiger en zijn vrienden en wanneer we worden bedankt en veilig terug keren kan ik opgelucht adem halen. We hebben het goed gedaan. We hebben hen het voordeel van de twijfel gegeven. We zijn het beiden eens dat onze spullen goed zijn terecht gekomen. Op weg naar huis zijn we beiden stil en in gedachten van de ellende die we hebben gezien. We reproduceerden de beelden en verhalen die nog vers in ons geheugen liggen. De rest van de avond zijn we er kapot van en maken we ruzie met elkaar. Natuurlijk kunnen we ze niet allemaal binnen laten dat weet ik ook wel, maar het is kerst verdomme en we zijn Christenen!

Advertenties