Ik ben nog van de generatie Peppi en Kokki en kindertelevisie op woensdagmiddag. Zondags mocht er bij ons niets, behalve de gang naar de kerk.  Mijn hemel! wat had ik een hekel aan die afgekloven en vergeelde bijbeltjes,  de uitgeholde kersenhouten bankjes en die uitgestreken expressies.  Depressief makend waren de bulderpreken van onze dominee en diens priemende wijsvingertje.  Vaker dan me lief was achtervolgde zijn veroordelende vinger me wapperend in slechte nachten, op jacht naar mijn eeuwigdurend- en schuldig voelende ziel.  Ik wist ook wel dat ik geen goede gelovige was, maar Jezus ik was pas acht!

Terugkijkend op deze periode van religieuze vorming  in een tijd dat mijn brein wagenwijd open stond herinner ik me vooral dat ik op zondag niet mocht buiten spelen van God.

Ook radicaliseerde ik door pepermunt. Halverwege iedere preek ritselde mijn moeder steevast in haar speciale zwart lederen kerktasje, op zoek naar een rolletje pepermunt.  Als zoethoudertje of misschien wel gewoon omdat we zo langzamerhand verschrikkelijk uit onze monden begonnen te meuren.  Verveeld daagde ik mezelf vaak uit om het pepermuntje net zo lang in mijn mond te houden tot de preek was afgelopen.

Als het mislukte zou ik naar de hel gaan.

Rond mijn pubertijd kwam ik in opstand. Ik wilde niet meer. Maar moest toch. Niet perse voor mezelf, maar vooral om het aanzien van mijn ouders te redden. Het werd een rel.  Mijn eerste religieuze rel.  Ik radicaliseerde richting het atheïsme en gebruikte Darwin’s  theorieën als wapen om mijn ouders op afstand te houden. Mijn invalshoeken werden honend en neerbuigend door hen ontvangen. Een snotneus was ik en een ondankbare blaag. Ook een schande. In ieder geval voor de familie.

In het leven dat volgde ontmoette ik de islam, het jodendom, het hindoeïsme en de rest.   Ik leerde hoeveel mensenlevens het ongeveer moet kosten om één van hen in stand te houden. Ik leerde ook dat je altijd moet kiezen en niet een beetje van alles kunt zijn.  Naar geen van hen heb ik ooit écht geluisterd.  Ik denk dat ze door de mand vielen door vooral regio gebonden te zijn.  In het Westen dit, in het Oosten dat.  De joden zus, de hindoes zo. Elkaar verdragen lukte kennelijk geen van hun Goden, dus moest het wel een menselijk verschijnsel zijn.

Sindsdien ben ik een hooligan. Een atheist in hart en nieren.  Mijn God heet liefde en heeft dat voor iedereen.  Mijn God is kleurenblind en houdt evenveel van vrouwen als van mannen.  Mijn God houdt van homo’s, hetero’s, transgenders en van iedereen die adem haalt. Mijn God is dol op dieren en ook op de planeet.  Mijn God is geen man en geen vrouw maar slechts een ideologie die dieper en dieper geworteld raakt.

..en telkens wanneer ik naar het nieuws kijk, radicaliseer ik verder.

 

Advertenties