‘Hé Roodkapje’, roept de boze wolf’,  ‘jij moet je kapje af doen!’

‘oh?’,  antwoordt Roodkapje, ‘ waarom dan?’

‘nou..’, zegt de wolf, ‘omdat jij wordt onderdrukt ‘.

Roodkapje moet er smakelijk om lachen.

‘Nee hoor malle wolf’,  ik word helemaal niet onderdrukt.’

‘Welles!’,  gromt de Wolf geïrriteerd, ‘want als jij in jouw sprookjesboek een geel kapje op had moeten doen, had je nu Geelkapje geheten! dus draag jij het kapje niet uit vrije wil!’.

‘Nou en!  zo heet ik toch ook niet?’, antwoord Roodkapje korzelig’.

‘Precies!’,  zegt de wolf triomfantelijk, ‘dus word  jij onderdrukt!’

‘Wat jij wil boze wolf, toch draag ik mijn kapje graag’.

‘Nietus!’ snauwt de wolf, waarna hij hard begint te grommen.  ‘Niemand in dit bos draagt een kapje, dus jij hoort hier niet! Roodkapje schrikt zich een hoedje en doet snel een paar passen achteruit.

‘Maar de kabouters dragen toch ook rode mutsjes?’,  probeert Roodkapje er nog tegenin te brengen..

‘Dat is waar’, antwoordt de boze wolf overrompeld door haar moed,  ‘die moeten dan ook hun mutsjes maar af!’.

Dan moet Roodkapje huilen, ‘Ik wil het niet, Ik wil gewoon mijn rode kapje weer op!’.

‘Komt niets van in’,  zegt de wolf vastbesloten, ‘en iedereen is het met mij eens’.

‘Ook de elfjes?’ vraagt Roodkapje ongelovig.

‘De meeste wel’,  antwoordt de boze wolf onverbiddelijk.

‘Dat komt omdat iedereen bang voor jou is boze wolf’,  zegt Roodkapje ditmaal woedend.

‘Nee hoor’, antwoordt de boze wolf in zijn nopjes.  ‘Iedereen in dit bos mag zeggen wat’tie wil, en wie dit niet bevalt moet oppleuren naar een ander bos!’

‘Goed, dan wil ik met de wijze uil praten’,  zegt Roodkapje boos.

‘De uil?’ herhaalt de boze wolf schaterlachend.

‘hahaha de uil! Die is met de noorderzon vertrokken, In dit bos is er niet langer een uil!’.

‘Geen wijze uil?’ stottert Roodkapje volledig van haar stuk gebracht.

Nu is de wolf blij.

‘Weet je wat, Roodkapje’, zegt de wolf plots opgewekt,  ‘Laat dat stomme kapje maar zitten hoor, ik was je toch al van plan om op te eten’.

 

 

 

Advertenties