Hand in hand heb ik eigenlijk altijd wel gelopen.  Over de Haagse markt, door de Amsterdamse binnenstad, het Utrechtse Kanaleneiland en door de Rotterdamse koopgoot.  Of dit probleemloos ging hing meestal af van de vriendinnetjes waarmee ik liep.  Sommigen vonden het eng, anderen provocerend of zelfs een beetje spannend, al had het merendeel er geen problemen mee.  Behalve Sanne, die spande de kroon.  Sanne zag op iedere hoek van de straat een potenrammer een homofoob of een vrouwenhater. Ik denk dat ze heterofobisch was.  Regelmatig moest ik een feministisch brandje blussen, haar op tijd weg trekken of ronduit mijn excuses aanbieden.  Sanne had zoveel moeite met de acceptatie van haar eigen geaardheid in relatie tot de heteroseksuele wereld om haar heen dat ze na een intensieve cursus agorafobie voor andersgeaarden volledig stuk liep.  Gewoon bij ons voor de deur.  Iemand keek verkeerd- of haar kant op,  zij dacht aan iets gruwelijks en toen flipte ze.

Jammer genoeg waren er geen getuigen bij en werd het haar woord tegen die van hem. Gek genoeg verloor hij.  Nadat zij weken later alsnog door de GGZ werd beoordeeld en er ook nog iets van dwang- en smetvrees uit kwam, besloten we elkaar maar eens een tijdje met rust te laten.

Met de veel leukere Florieke heb ik natuurlijk ook wel eens idiote reacties gehad. Zoals die keer in het Zuiderpark toen onze opgewekte labrador ruzie kreeg met een sacherijnige Akita. Hier zeiden we iets van waarna zijn met anabolen geïnjecteerde baasje volledig uit zijn heteroseksuele stekker ging.  Een vieze bruine likteef was ik, en Florieke een ranzige lesbische befteckel. Toegegeven daar hebben we de rest van de dag best om kunnen lachen.  Of die keer toen we stonden te zoenen bij een café aan de Utrechtse gracht. ‘Lesbiesssj!, lesbiesssj!’ siste een voorbij fietsende jongen zo hard als hij kon.  ‘Dan heb je mijn schaamhaar nog niet gezien!’ schreeuwde ik hem achterna, waarna Florieke er geen zin meer in had en we de rest van de avond aan de bar hebben gezeten met een stomdronken skolioseksueel die problemen had met de fiscus. Natuurlijk denk je dan heus wel eens aan een betonschaar.

Toch was gevoelsmatig mijn eerste serieuze confrontatie met mijn geaardheid tijdens een sollicitatiegesprek. Ik wilde aan de bak met jongens die daar vooral uit gehouden moesten worden. Naast rondspuitend testosteron, gedragsproblemen en een laag IQ had het merendeel een voorliefde voor alles wat strafbaar was.  Bezorgd doch dwingend werd me door twee nette dames van de sollicitatiecommissie ingefluisterd om mijn geaardheid voor deze jongeren beter strikt privé te houden. De jongens zouden er niet mee om kunnen gaan.  Sterker: openhartigheid zou mijn gezag niet alleen ondermijnen maar ook zou ik de broodnodige autoriteit waarmee ik mezelf tussen hen staande moest houden verliezen.

Zodoende verzon ik redelijk geïntimideerd direct nadat zo’n bullenpees wilde weten of ik een vriend had, mijn fictieve vriendje Thomas. In de weken en vragen die voorbij vlogen, loog ik meer dan ik kon onthouden en groeide Thomas uit tot een fantoom waar de Amerikaanse schrijver Terry Goodkind nog een puntje aan kan zuigen. Ontmaskerd werd ik na ongeveer zes maanden door een dertienjarige die de hond van zijn stiefmoeder had doodgestoken, nádat zij eerst zijn X-box in beslag had genomen. En toen besloot ik alles maar op te biechten.

Ik vertelde hen met vlekken in mijn nek en klotsende oksels dat omdat zij uit andere culturen kwamen, grof gebekt en moeilijk waren in hun gedrag,  mij van hogerhand was geadviseerd hen niet te vertellen dat ik eigenlijk lesbisch ben.  Karmijnrode oogjes met grote verwijde pupillen keken me aan, alsof ze water zagen branden. Een zestienjarige met meer indicaties dan op een aanvraagformulier past verbrak de stilte.  Hij vertelde zelf ook een zus te hebben die ‘zo’ was.  Een andere jongen viel hem bij en bracht voorzichtig een homoseksuele oom in.  Ik denk dat niemand wilde achterblijven want ineens had iedereen wel minstens drie homoseksuele familieleden.  Zelfs Ali, waarvan iedereen wist dat alles wat hij zei een leugen was.  Een van de jongens die een lucratief handeltje in Ritalintabletjes had opgezet, stelde voor om een boze brief te schrijven naar de directeur. Ali bedacht het idee om Thomas symbolisch in de tuin te begraven.  We kozen voor het idee van Ali.  En zo ontstond de eerste ceremoniële liegplaats van Nederland.  Een soort begraafplaats voor leugens. Ali nam het beheer ervan voor zijn rekening. Er kwamen daarna nog zoveel begrafenissen dat hij binnen een week moest uitbreiden.

Jarenlang heb ik hier nog met veel plezier gewerkt, al bleef ik sindsdien: ‘Sylvia de lesbo’. Dat ik openlijk lesbisch was, had me een nieuwe status gegeven. In de praktijk die van een laagdrempelige nep-seksuologe. Vragen over seksualiteit werden gek genoeg ineens aan mij gesteld. Meerdere jongens zijn in de loop van de jaren bij mij uit de kast gekomen, al durfde ze er met anderen nog lang niet over te praten. Haast altijd leverde praten met jongeren over seksualiteit giechelende gesprekken, grappige aannames, onzekere vragen en stellige standpunten op.  Hun beeldvorming over homoseksualiteit bleef altijd rechtlijnig en zwart-wit, maar consequent net zo rechtlijnig en zwart-wit als hun beeldvorming over heteroseksualiteit.

En natuurlijk bleef ik tijdens hun hysterische boze buien of woede uitbarstingen ook nog altijd die vieze pot, daar waar mijn heteroseksuele collega’s door hen werden uitgescholden met woorden als; ‘kankerflikker’ en ‘teringhomo’.  Dus als homofobie dan al per sé aan een cultuur gekoppeld zou moeten worden, koppel het dan maar aan de hypermasculiene jongeren- en straatcultuur waarin de ene groep afhankelijk van de tijdgeest wellicht wat meer is vertegenwoordigd dan de andere.  En misschien kunnen we dan eindelijk eens écht aan de slag.

 

 

 

 

Advertenties